Laurine van Riessen (33) was in vorm. Ze wilde geschiedenis schrijven, door als eerste Nederlandse een olympische medaille te winnen op de Zomer- en Winterspelen. Maar toen viel ze in de kwartfinale van de keirin. Nu ligt ze in een Japans ziekenhuis met meerdere gebroken ribben, een gebroken sleutelbeen en een kneuzing van haar long. Een monoloog vanuit een ziekenhuisbed.

,,Ik werd wakker in een behandelkamer in het ziekenhuis. Ik hoorde iemand iets over Tokio zeggen en dacht: dat is uren rijden van de wielerbaan, daar zal ik toch niet zijn?

Van wat daarvoor gebeurde weet ik niet veel. Inclusief mezelf zaten er zes goede keirinrensters in de kwartfinale. Dan weet je: ik moet scherp zijn. Ik had het goed uitgedacht. Op de baan in Izu moet je relatief snel naar voren. We waren aan het racen, het ging best wel lekker. Ik dacht: nou, nu zit ik precies goed, zo eindig ik bij de eerste vier en ben ik door naar de halve finale. Ik denk dat we zo’n 60 à 65 kilometer per uur reden. En toen, in één keer, ging het mis in de bocht.

Vanaf daar weet ik niks meer, tot ik in het ziekenhuis kwam. Vaag staat me iets bij van de ambulance, maar of ik dat beeld zelf in mijn hoofd heb gevormd omdat ik weet dat ik zo vervoerd ben, of dat ik het me echt herinner weet ik niet. Ik bleek niet in Tokio maar in een dorpje vlakbij de wielerbaan te liggen. Ik dacht ook meteen: o, als ik maar niet het hele veld onderuit heb gekegeld door een fout van mezelf. Gelukkig hoorde ik al snel via mijn vriend Matthijs (baanrenner Büchli, red): ‘Het was niet jouw schuld, je kon er niet veel aan doen’. Dat geeft meteen een geruster gevoel.

In de behandelkamer merkte ik: o, ik heb echt pijn in mijn rug. Dat wordt lastig om de sprint te rijden morgen. Maar wie weet kan het nog, dacht ik. Toen ze mijn pak open wilden knippen zei ik: ‘nee, nee, daar moet ik nog in rijden’. ‘Nou, Laurien’, zei onze dokter die mee was, ‘Je pak is door die val al helemaal aan gort’. Toen ik daarna uit de CT-scan werd gereden hoorde ik: ‘broken ribs, 6 fractures’. Hmm wist ik toen: morgen rijden gaat ‘m niet meer worden.

Alles op alles zetten
Ik wilde een medaille op de Zomer- en Winterspelen halen (Van Riessen won schaatsbrons in Vancouver op de 1000 meter, red.). Dat gaat niet meer lukken, helaas. Dit zouden mijn laatste Spelen worden. Ik maakte in 2015 een uitstapje naar het baanwielrennen, in eerste instantie omdat ik het leuk vond. Ik dacht altijd: na Rio ga ik terug naar het schaatsen, maar na die Spelen ging ik twijfelen. Als ik toch een medaille in Tokio wil halen, moet ik alles op alles zetten. Niet nog een keer een halve olympische cyclus doen.

Ik heb er alles in geïnvesteerd, in wedstrijden, in materiaal, in tactiek. Op de eerste dag van het olympisch toernooi werden Shanne (Braspennincx, de nieuwe olympisch kampioene op de keirin, red.) en ik vierde op de teamsprint, een onderdeel waar we totaal niet op hadden getraind. Dan merk je dat je goed bent. Ik ben er klaar voor, dacht ik. Ik zeg niet dat het me automatisch was gelukt hoor, een medaille winnen, iedereen is in vorm, maar ik wist dat ik goed was.

Wat ik heel zuur vind, is dat er meer mensen keihard aan hebben gewerkt. Het begeleidingsteam op de baan, Ton Leenders in het krachthonk, mijn trainer met wie ik als schaatser al werkte. Ik ben veel sterker geworden, heb hulp gehad van jongens uit het talententeam, wat juist in zo’n coronajaar zonder wedstrijden een ontzettend groot voordeel was. Ik ben zóveel beter gaan rijden, het is zo jammer dat ik dat niet kan laten zien. Voor mezelf, maar ook voor het team om me heen.

Dan zit je dus vijf jaar lang naar de Spelen toe te werken, alles wat je doet is daarop gericht. En dan lig je er zo uit. Dat is gewoon echt, echt heel veel pech.

Tripje naar de wc
Ik heb Matthijs gezegd dat hij vandaag (vrijdag, red.) niet meer mocht komen, dat hij zich moest richten op zijn eigen keirin. Ik voel me hier niet alleen, in mijn ziekenhuiskamer. Onze eigen dokter komt langs, de Japanse doktoren zijn heel aardig. Nu bestaat mijn tijd uit onderzoekjes, half slapen en ik zal de komende dagen even de tijd nemen iedereen terug te appen. Ik heb ontzettend veel berichtjes gekregen. Mijn uitje van de dag is een tripje naar de wc, met rolstoel en alles, ik ga straks maar weer.

De keirin is mooi. Maar af en toe gaat er iets mis. Als dat net op de Olympische Spelen gebeurt is het erg zuur. Met meer mensen in de baan op hoge snelheid loop je altijd een risico. Ik ben best voorzichtig, maar bij zo’n rit als die van gisteren kun je je niet even van je plek laten drukken. Dan wordt het dringen. Ik heb de beelden teruggekeken, het viel eigenlijk wel mee, was niet zo’n hele harde crash, maar ik kwam denk ik net verkeerd neer. Met die Engelse ook nog bovenop me – ik denk niet dat dat echt heeft geholpen.

In mijn leven ben ik twee keer eerder op de baan gevallen, vorig jaar bij de WK buiten mijn schuld om, toen kon ik wel gewoon door. En dan nu de Spelen, die kun je erbij strepen.

Op en af
Met goede pijnstilling gaat het nu een beetje op en af. Ik val steeds even in slaap, word weer wakker en voel me een beetje wazig. Alles schijnt mooi gebroken te zijn, mijn ribben en sleutelbeun zullen waarschijnlijk weer goed aan elkaar groeien. Mijn hoofd had een soort bloedinkje, dat is gecheckt vanmorgen en is gelukkig niet groter geworden. Van de schaafwonden op mijn bil en schouder – dat hoort er een beetje bij als je op de baan valt -, voel ik ook niet veel. Maar die ribben, die pijn is best pittig. Goed, even een paar pijnlijke dagen, ik hoop dat het na de eerste paar dagen al een stuk beter wordt.

Het grootste probleem is dat ik niet meer mag rijden, dat is heel zuur. Ik zou maandag naar huis gaan, maar dat gaat nu sowieso niet gebeuren. Dat maakt me ook niet uit, zoals ik me nu voel heb ik ook zoiets van: dat gaat ook echt nog niet lukken. De artsen in Nederland en hier zullen overleggen wanneer het veilig is voor mij om te vliegen, dan hoor ik het wel. Weet je, dat is niet het grootste probleem. Het grootste probleem is dat ik niet meer mag rijden, dat is heel zuur. Tegelijkertijd weet ik: natuurlijk is het niet oké om je ribben te breken, maar het kan ook heel anders aflopen.

Wat scheelt is dat je weet dat je er niks aan kunt veranderen, dat je het beter zo snel mogelijk kunt accepteren, al denk ik dat de klap misschien later nog wel komt. Ik denk niet dat ik doorga tot Parijs, maar zeg nooit nooit. Ik wil nog een of twee jaar door op de baan, misschien moet ik het dan maar op een WK laten zien.”

BRON: AD / Lisette van der Geest